Ergens in een middelgrote stad in de buurt staat een metaalbewerkingsbedrijf. Vader en zoon vormden samen de directie van het bedrijf. Dertig jaar opgebouwd. Goede vakmensen in dienst, kostbare machines en een vaste klantenkring.
Enkele jaren geleden gebeurt er iets ingrijpends. Vader krijgt een hartaanval. Van het ene op het andere moment valt hij uit. De zoon heeft geen keuze. Hij gaat door.
De orders moeten worden gemaakt. De mensen in de werkplaats moeten aan het werk blijven. Klanten moeten worden geholpen. De zoon neemt zoveel mogelijk over.
En de administratie? Dat komt later wel.
De boekhouding raakt achter. De jaarrekening blijft liggen. Belastingaangiften worden niet of te laat gedaan.
Niet omdat iemand de zoon erop uit is om de boel te bedonderen. Er zijn simpelweg belangrijkere dingen. Tenminste, zo voelt de zoon het.
Twee jaar later is het bedrijf failliet.
En dan gebeurt iets wat vader en zoon waarschijnlijk nooit voor mogelijk hadden gehouden.
Ze worden persoonlijk aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement. Bovendien krijgen ze een bestuursverbod van vijf jaar.
Maar vader was toch ziek?
Dat was tenminste hun verweer.
De curator had na het faillissement een administratie aangetroffen die verre van compleet was. Jaarrekeningen waren te laat of helemaal niet gedeponeerd. In de financiële administratie zaten grote gaten en ondertussen waren de belastingschulden steeds verder opgelopen.
Vader en zoon gaven een duidelijke verklaring. De hartaanval. Zonder die hartaanval was dit allemaal niet gebeurd.
Een begrijpelijk argument misschien.
Maar juridisch onvoldoende.
De rechtbank was duidelijk: een bestuurder blijft verantwoordelijk voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Ook wanneer hij ziek wordt. Ook wanneer hij langdurig uitvalt.
De vraag is dus niet alleen:
Waarom kon jij je werk niet meer doen?
De vraag is vooral:
Wat heb je geregeld zodat het bedrijf zonder jou behoorlijk bestuurd kon blijven worden?
En daar ging het mis.
Toen kwam er nog iets bij
In de periode voor het faillissement hadden vader en zoon ook tienduizenden euro’s aan de onderneming onttrokken. Terwijl andere schuldeisers niet werden betaald. Daar wordt het juridisch een ander verhaal. Dat hoeft overigens niet te betekenen dat iemand bewust verkeerde bedoelingen heeft.
In familiebedrijven lopen privé en zakelijk soms jarenlang door elkaar. Er is een rekening-courant met de bv. Er moet privé een hypotheek worden betaald. Of de gedachte ontstaat: ik heb dertig jaar aan dit bedrijf gewerkt, dus dit geld is toch van mij?
Maar zodra een onderneming financieel in de problemen komt, verandert dat speelveld. Dan kun je niet meer zonder meer jezelf betalen terwijl andere schuldeisers moeten wachten. Welke betalingen je nog doet, aan wie en op welk moment, kan dan ineens bepalend worden voor je persoonlijke aansprakelijkheid.
En daar zit de echte les
Het opvallende aan deze zaak is dat het niet begint met fraude of een ingewikkelde constructie. Het begint met iets wat iedere ondernemer kan overkomen. Een hartaanval.
Daarna een zoon die probeert het bedrijf draaiende te houden. Een boekhouding die achterloopt. Een jaarrekening die nog even blijft liggen. Een belastingschuld die langzaam groter wordt.
En ondertussen de gedachte:
Als we maar blijven werken, komt het wel weer goed.
Precies daarin zit het risico.
Bestuurdersaansprakelijkheid ontstaat lang niet altijd door die ene grote, verkeerde beslissing.
Veel vaker is het een optelsom van kleinere beslissingen die op het moment zelf allemaal nog wel uit te leggen waren.
Totdat een curator er achteraf naar kijkt.
Daarom is het goed jezelf als ondernemer deze vraag te stellen: Wat als jij vanavond onverwacht in het ziekenhuis terechtkomt, wie kan morgen jouw rol overnemen?
Wie weet wat er financieel speelt?
Wie houdt in de gaten dat belastingen worden betaald en jaarrekeningen op tijd worden gedeponeerd?
En wie weet welke beslissingen hij juist níét meer moet nemen als het financieel tegenzit?
We verzekeren onze bedrijfspanden tegen brand. Onze auto’s tegen schade. En soms zelfs onze machines tegen uitval.
Maar de uitval van de ondernemer zelf?
Die hebben veel bedrijven organisatorisch nauwelijks geregeld.
Terwijl de gevolgen enorm kunnen zijn.
Daarom nog één vraag:
Als er morgen een curator aan jouw bureau zit, hoe lang duurt het dan voordat je hem een compleet en actueel beeld van je onderneming kunt geven?
Is het antwoord: een paar uur?
Prima.
Is het antwoord: dat wordt lastig?
Dan is er werk te doen.
En staat je onderneming financieel onder druk of twijfel je over je positie als bestuurder, wacht dan niet totdat een curator die vragen stelt. Neem eens contact op met Christophe van Uden van Beks Advocaten via c.van.uden@beksadvocaten.nl